Zoeken
Locaties   |   Links   |   Vacatures   |   Stage   |   Sitemap   |   Verwijzers

GGZ Kinderen & Jeugd

      GGZ-instelling

      Aanmelding

      Verwijzers
        - Digitale verwijsbrief

      Vergoeding

      Werkterreinen
        - Schoolweigering
        - Angststoornissen
        - ADHD - ADD
        - DCD
        - ASS - PDD-NOS
        - ASS - Asperger
        - MCDD
        - Depressiviteit
        - Hechtingsstoornis
        - Dysfasie
        - Zindelijkheidsproblemen

ASS - Asperger

Syndroom van Asperger
 
DSM-IV
Het Syndroom van Asperger is een DSM-IV classificatie. Het syndroom van Asperger behoort tot de autisme spectrum stoornissen.

Definitie van het probleem en enkele wetenswaardigheden.
Het syndroom van Asperger is een verschijningsvorm van autisme. Er is sprake van beperkingen in de sociale interactie en er is sprake van beperkte repetitieve en stereotype gedragingen, activiteiten en interesses. Er is geen vertraging in de taalontwikkeling, zoals bij andere vormen van autisme. Er is sprake van adequaat doch formeel taakgebruik. Er is geen achterstand in de cognitieve ontwikkeling.
 
Wat zie ik in de klas, hoe herken ik dit gedrag/deze stoornis?
  • Gebrek aan empathie (invoelingsvermogen).
  • Naïeve, ongepaste en eenzijdige interactie.
  • Weinig of geen mogelijkheden om vriendschap te sluiten.
  • Overbeleefd, repetitief spreken. Formeel taalgebruik.
  • Zwakke, non-verbale communicatie. Moeite met oogcontact.
  • Intens opgaan in sommige onderwerpen.
  • Onhandig en slecht gecoördineerde bewegingen en vreemde houdingen.
  • Beperkte belangstelling. Belangstelling is abnormaal in intensiteit.
  • Moeite met sociale en emotionele wederkerigheid.
  • Moeite met het interpreteren van lichaamshoudingen en gebaren.
De beste aanpak in de klas in bondige adviezen
  • Bij opdrachten, structuur in tijd en taakorganisatie.
  • Maak het klaslokaal voorspelbaar.
  • Noem bij klassikale opdrachten de naam van de leerling.
  • Benut speciale interesses om plezier in activiteiten te vergroten of als beloning achteraf.
  • Hanteer een rustig werk- en spreektempo.
  • Wees zo concreet mogelijk bij nabespreking van werk/situaties.
  • Geef veel waardering en sturing.
  • Leert niet van ervaringen achteraf (c.q. beloning of straf) dus voorstructuren teneinde de problemen voor te zijn.
  • Stop ongewenst gedrag bijtijds. Geef concrete gedragsinstructies van het gewenste gedrag.
  • Geef ze de vijf: vertel wie, wat, waar, wanneer op welke wijze iets gedaan moet worden.
  • Geef zoveel mogelijk sturing in onoverzichtelijke, onverwachte, vrije en sociale situaties.
  • Structureer nieuwe situaties voor.
  • Gebruik zo weinig mogelijk non-verbale communicatie.
  • Expliciteer en leg uit wat normaal gesproken niet geëxpliciteerd en uitgelegd hoeft te worden.
  • Doorbreek patronen van argumenteren of vragen stellen door te begrenzen in tijd.
  • Hanteer een vriendelijke doch zakelijke houding. Wees een zakenpartner.
  • Wees alert op prikkels in de klas (geluiden, lichtinval, decoraties, etc.).
  • Zorg voor een gestructureerde (afgeschermde) en opgeruimde werkplek.
  • Visualiseer dag- en weekprogramma’s; zet op bord en/of papier.
  • Geef samenhang aan tussen de lesstof. Help met het generaliseren van de lesstof tussen de verschillende vakken (vakgebieden).
In ieder geval niet doen
  • Achteraf kritiek geven, straffen; wees de problemen voor.
  • Heel emotioneel reageren; dat wordt niet begrepen.
  • Non-verbaal gedrag als communicatiemiddel gebruiken.
Bron: Cordys


Deze website is ontwikkeld door Time2impress.